Partners aan het woord; Gemeente Nijkerk en Aeres

De partners van het Landbouwnetwerk Regio Foodvalley werken samen aan de toekomst van de agrarische sector in het gebied. Wat drijft hen en hoe gaan zij hierin te werk? Wat is er volgens hen nodig? In gesprek met Wim Oosterwijk (wethouder gemeente Nijkerk) en Bastiaan Pellikaan (Aeres).

Waarom doen gemeente Nijkerk en Aeres mee?
Wim Oosterwijk: Als gemeente vinden we de agrariers in het gebied belangrijk. Zij vormen een wezenlijk deel van het buitengebied en van onze identiteit. Tegelijkertijd zien we dat veel  ondernemers nog autonoom opereren. We zien het belang om tegen de achtergrond van de ontwikkelingen die op de sector afkomen, ruimte te blijven maken voor agrarische ontwikkeling in het gebied. In het netwerk proberen we concreet invulling te geven en ondernemerschap te  stimuleren. De regionale pilots en begeleidingstrajecten vinden we daarin bijvoorbeeld heel belangrijk.

Bastiaan Pellikaan: “Voor het Aeres is de land- en tuinbouw vanzelfsprekend een belangrijke doelgroep. We hebben een aantal vestigingen in de Foodvalley regio zoals Nijkerk, Barneveld en Ede. En ook komen mensen uit heel het land naar de Hogeschool in Dronten toe. We hebben dus veel te maken met de primaire sector in onderwijs, toegepast onderzoek en projecten waar we in participeren. Concrete voorbeelden daarvan zie je bijvoorbeeld in de rol van PEC.”

Sinds wanneer zijn jullie betrokken bij Landbouwnetwerk Regio Foodvalley?
Pellikaan: “Al vanaf het begin waren we bij het Manifest betrokken. We waren er destijds al bij als kennisinstelling en hebben toen met name inbreng gehad over het onderwerp ondernemerschap. Daar lag voor ons de link met het bedrijfsleven waar onze afgestudeerde studenten in terecht komen. We willen als onderwijs dat onze afgestudeerden van waarde zijn voor deze sector.”  

Oosterwijk:Ook wij zijn als gemeente al vanaf het begin betrokken geweest. Al moet ik wel zeggen dat we het afgelopen jaar voor het eerst echt concrete stappen zijn gaan zetten.”

Welke stappen moeten het komende jaar door het Landbouwnetwerk worden gezet?
Pellikaan: “Dat vind ik best ingewikkeld. Inderdaad is het belangrijk dat de programma’s die zijn opgestart dit jaar echt van de grond komen. Vervolgens is het belangrijk dat we eerst die successen laten zien. Iedereen zit nu denk ik te wachten op wat de echte toegevoegde waarde van het netwerk is. Dat moeten we met bijeenkomsten en programma’s het komende jaar zichtbaar gaan maken.

Oosterwijk: “Ik vind het belangrijk dat de trajecten die we gestart zijn het komende jaar echt gaan lopen. Denk bijvoorbeeld aan de begeleiding die we bieden via de Keukentafelgesprekken, de Agro Ondernemersscan en Zicht op de Toekomst. Aanvullend zou ik willen zien dat we een beeld vormen waar de regionale sector de komende tien jaar naartoe gaat bewegen. Wat komt er op ons af en hoe kunnen we dan met elkaar in gesprek blijven? Het Landbouwnetwerk is geen beleidsapparaat en dat moet het ook niet worden. Tegelijkertijd kunnen we niet om bepaalde onderwerpen heen. Denk aan zonnepanelen, stikstof: dat komt gewoon op ons af. Ik hoop dat we elkaar als partners daarin kunnen vinden en kijken hoe we daarin samen toch concrete stappen kunnen blijven zetten voor de landbouw. Beleid en praktijk hebben elkaar nodig. Ik wil die combinatie tussen beleid en uitvoering realiseren. Ieder in zijn eigen rol, agrariërs ook. Maar wel in contact met elkaar en kijken naar onze gedeelde belangen.”

Hoe doe je dat concreet?
Oosterwijk: “De gebiedstrajecten die nu gaan lopen zijn daarin bijvoorbeeld heel belangrijk. Daar kan echt gekeken worden naar de waarde van de agrarische sector. Een deel van de agrariërs wil stoppen, maar een ander deel wil starten of uitbreiden. Hoe ga je praktisch met die driehoek om? Dan kunnen we kijken naar een nette uitstap, maar ook naar koppelkansen en ruimte voor ondernemers. Als partners kunnen we ons daar samen voor inzetten. We proberen dat ook te stimuleren door onderwerpen te bespreken in themagroepen zodat spontane initiatieven kunnen ontstaan die echt wat opleveren.”

Wat is het belang van de andere partners voor het Landbouwnetwerk?Pellikaan: “We kijken heel positief naar de bijdrage van de gemeente. Voor het thema food is Nijkerk bijvoorbeeld heel belangrijk, de gemeente levert daarin ook veel support. Zo ontstaat er bijvoorbeeld voor het onderwijs ruimte om op zo’n thema echt aan de slag te gaan. Dat zien we bijvoorbeeld ook in gemeente Barneveld: daar wordt bijvoorbeeld ingezet op fijnstof. Vanuit Aeres kunnen we in een onafhankelijke positie met die thema’s aan de slag gaan ten dienst van ondernemers en in het maatschappelijk belang. Daarin zien we ook onze rol weggelegd: Gerichte kennisvragen kunnen we oplossen in toegepast onderzoek door onze lectoren en door onze docenten en studenten hierop in te zetten Waar we denk ik wel voor op moeten passen, is dat we niet vóór ondernemers gaan denken. We hebben de ondernemers echt actief nodig in de discussie, want zij zijn uiteindelijk de belangrijkste doelgroep van het netwerk.” 

Oosterwijk: “Volgens mij zou de overheidsinvloed in het Landbouwnetwerk gering moeten zijn. Als we elkaar maar wel blijven ontmoeten en kunnen vinden. Vooral de landbouworganisaties, private partijen en het onderwijs moeten hier invulling aan geven. Bij hen zit namelijk de koppeling met de agrariërs zelf, en dit geldt ook voor kennis en onderzoek. De toekomst van agrariërs hangt nauw samen met goed onderwijs die studenten voorbereidt op toekomstig ondernemerschap.”

Wat moet het landbouw opleveren?
Pellikaan: “De doelstelling zegt: Gezonde land- en tuinbouw in de Foodvalley regio. Dan heb je wel goede mensen nodig. Daarbij hebben we de regio als speerpunt, maar moeten we blijven kijken naar de rol van de regio in landelijk perspectief. Thema’s als bodemvruchtbaarheid, biodiversiteit, toegang tot grond: dat stopt niet buiten de regiogrenzen. We zijn daarin van veel meer actoren  afhankelijk, maar moeten daar wel regionaal handen en voeten aan geven.”

Blijf op de hoogte

Asset 7 Meer nieuwsberichten

‘Het blijft superspannend’

Conny van den Top heeft de afgelopen jaren steeds kleine stapjes gezet naar een meer natuurinclusieve bedrijfsvoering. Vanuit gemeente Ede en LTO Noord heeft zij